Als kind had ze het al. Van haar ouders had ze het duidelijk niet.
Ze moest en zou van die prinsessejurkjes aan, met alle toeters
en bellen die je maar kon verzinnen. Praktisch was anders.
Maar het was de enige manier om het kind ergens te krijgen.
Dat het kind er in haar ogen niet uit zag was tot daaraantoe,
maar de wàs. De was. Haar moeder werd er gek van. Ladingen
vol stijfsel en andere ouderwetse wastruken gingen er week, na
week, na week doorheen. In eerste instantie was de moeder blij
geweest dat haar dochter zo snel zindelijk was geworden.
Eindelijk van die luiers af.
Inmiddels wist ze wel beter.
Dit perpetuem mode-lé zoog aan haar alsof ze de handen van
haar eigen overleden moeder aan haar enkels voelde hangen.
Ze had nog wel zo gedroomd over een leuke stoere dochter,
een die ze niet in een keurslijf zou wringen.
En dan het éten.
Iedere maaltijd was een drama. Mevrouw was een prinsesje precies.
Iedere kruimel werd minutieus uit plooitjes en randjes gepriegeld.
Reken maar dat er ook behoorlijk wat plooitjes en frutsels te
priegelen waren. Bij ieder spatje krijste ze net zo lang tot ze
iets nieuws aanhad. Hard, schril en lang. Godzijdank wisten
de buren ervan. En de wasberg groeide.
Het kind knoeide niet noemenswaardig, maar haar ouders en broertje
des te meer. De vader vond sowieso dat het kind zich niet moest
aanstellen. De moeder vond dat makkelijk praten. Hij was niet degene
die er iedere dag, 24/7 mee te maken had.
Ze had zich inmiddels leren vermannen met een mantra.
14 juni eerste schooldag, 14 juni eerste schooldag, 14 juni eerste schooldag,
14 juni eerste schooldag, 14 juni eerste schooldag..
uit "het dagboek van een huishoudster"
anoniem, Rotterdam 1996.
|